Het was enkele weken vóór Kerst, toen de dagen al kort waren maar de echte winter nog aarzelde. In een groot, oud bos stond een boom die ooit het hart van dit landschap was geweest. Zijn stam was breed, zijn wortels diep, zijn kruin ooit zo vol dat hij zon en regen met gelijke rust ontving. Maar wie nu langs hem liep, voelde dat er iets niet klopte.
De boom was moe.
De wereld om hem heen was drukker geworden. Onzichtbare stralingen doorkliefden de lucht, alsof het bos doorkruist werd door onrustige lijnen. Afval lag verscholen tussen bladeren en mos, restanten van menselijke achteloosheid. Mensen kwamen en gingen zonder aandacht, met haastige passen, harde stemmen en soms zelfs schade aan zijn bast. Wat ooit een plek van stilte was, voelde nu versnipperd.
Langzaam, bijna ongemerkt, begon de levenskracht uit de boom weg te ebben.
De aftakeling van binnenuit
Diep in zijn binnenste raakten systemen uit balans. De natuurlijke doorstroming van water en voedingsstoffen verloor haar ritme. De