Er was eens, in een land ver, ver hier vandaan, een prachtig paleis dat op een heuveltop stond en uitkeek over groene heuvels en glinsterende rivieren. Het paleis, gebouwd van wit marmer, fonkelde in het zonlicht en leek zelf een bron van licht en vreugde. Binnen waren de zalen gevuld met zachte tapijten, kleurrijke glas-in-loodramen en de vrolijke geluiden van mensen die samenwerkten in harmonie.
In dit paleis woonde prinses Alina, een jonge vrouw met gouden lokken en ogen die straalden van vriendelijkheid. Ze leefde gelukkig met haar ouders, koning Edric en koningin Lysandra. Samen regeerden zij een rijk dat bloeide in vrede en overvloed. De harmonie van het paleis straalde uit naar het hele land. Mensen leefden in verbondenheid en hielpen elkaar. Alles leek een deel van een grote, prachtige symfonie, waarin ieder zijn eigen unieke noot speelde.
Maar diep in de schaduwen van een ander koninkrijk broeide jaloezie. Een naburige koningin, verblind door afgunst voor het geluk van Alina’s